dinsdag 6 oktober 2015

~'De wegen van een man zijn vóór de ogen van de Heere'~

(Fictie) Vol afschuw werd er geluisterd naar alles wat ik zei. Het kwam voor hen als een akelige verrassing. Ik kon het zien. Aan de uitdrukking op hun gezichten. Aan de blikken die ze vervolgens op hun moeder wierpen. En nog voordat ze volledig beseften wat ik hen werkelijk had aangedaan verdween de hechte band die ik altijd met ze had gehad.

Ik kon het voelen. Want terwijl ik vertelde raakte ik iets kwijt. Het was alsof ik het kostbaarste stukje dat er tussen een vader en kind kan zijn verloor. En dat twee maal. Het deed verschrikkelijk veel pijn. Maar ik verdiende het. Ik verdiende meer pijn dan dat zelfs. Want ik had m'n gezin op het spel gezet. En het zag ernaar uit dat ik ze allemaal zou gaan verliezen. En ik wist; wanneer dat echt zou gaan gebeuren mocht ik niet klagen. Mocht ik niets meer van ze vragen. Want ik zou het verdienen. Ik zou het verdienen als ze mij niet langer wilden zien.

Toen ik klaar was met mijn verhaal keek ik op naar mijn vrouw. De vrouw van wie ik nog steeds ontzettend veel hou. Al zou niemand van hen dat geloven. Niet na alles wat ik had gedaan. En toch was het zo.

Zij kon mij niet aankijken. Ik zag dat ze het probeerde maar ze kon het niet. Ik had het haar vanmorgen verteld. Radeloos was ze geworden. Wanhopig door de pijn die ze voelde. Ontroostbaar door het vreselijk verdriet dat ik haar had aangedaan. En daarna was ze kapot gegaan. Gebroken was ze naar onze slaapkamer vertrokken en daar was ze de hele dag gebleven. Ik had haar horen huilen. En ik had haar zachtjes horen bidden. Maar ik had haar vooral ontzettend veel horen huilen.

Ook dat had zo'n pijn gedaan. Elk geluid vanuit die kamer was als een steek door mijn hart geweest. Het allerliefst was ik naar haar toegegaan. Om haar in mijn armen te nemen. Om haar lieve woorden toe te fluisteren. Om zachtjes haar lippen te kussen. Om haar mijn spijt te laten voelen. Maar dat alles kon niet meer. Want dat wat wij hadden was nu niet meer. Het was stuk. Ik had het stukgemaakt. Ik had ons stukgemaakt. En dat deed enorm veel pijn.

De waarheid die ik voor een lange tijd zo angstvallig geheim had gehouden lag nu voor hen allen op tafel. Er was geen ontkomen meer aan. En dat wilde ik ook niet. Deze waarheid bracht een hoop pijn met zich mee maar ondanks dat wilde ik niets liever dan dit. De waarheid op tafel. Want ik was moe. Moe van het liegen en bedriegen. Moe van m'n egoïstische gedachten. Moe van het knagende schuldgevoel dat me constant en overal achtervolgde.

Uiteindelijk was het de waarheid geweest die mij hiertoe had gebracht. De waarheid die mij door dit alles heen gelukkig niet in de steek had gelaten. De waarheid die zo nu en dan, door alle leugens heen, was blijven spreken tot mijn hart.

Ik had het enkel en alleen aan de waarheid te danken dat ik hier nu zat. Zelf was ik een lafaard. Ja, een laffe lafaard. Nee, erger dan dat. Een schijterd. Een bangerik. Het was de waarheid geweest die mij uiteindelijk de moed had gegeven die ik hiervoor nodig had.

Zeventien jaar geleden hadden we mekaar trouw beloofd. Wat had ik me toen gelukkig gevoeld. De tijden daarna waren ook heerlijk geweest. Jarenlang had ik intens van haar genoten. Hadden we van mekaar gehouden. We hadden het goed samen en nooit had ik naar een ander verlangd. Totdat ik een half jaar geleden een nieuwe collega had gekregen. Ze was jong. Ze was mooi. En ze wist hoe ze een man moest verleiden.

Alles was stuk gegaan toen ik stiekem van haar aandacht was gaan genieten. Toen ik ervoor koos om naar haar vleiende woorden te luisteren. Toen ik ervoor koos om haar nabijheid steeds vaker op te zoeken. Toen ik ervoor koos om over haar te gaan fantaseren. En toen ik uiteindelijk besloot om op haar uitnodigende aanrakingen in te gaan...

Alles was stuk gegaan. Omdat ik ervoor gekozen had om mijn verkeerde gevoelens na te jagen. Wat was ik dom geweest. Had ik het toen maar geweten. Dat het heel veel moois zou gaan vernietigen. Dat het heel veel goeds zou gaan verwoesten. En dat niemand, ook ikzelf niet, er iets fijns voor terug zou krijgen. Had ik het toen maar gezien. Dan was dit alles misschien niet gebeurd.

Maar dat was het wel en alles was nu stuk.

Ik had mijn vrouw haar hart gebroken. En niet alleen de hare kon ik zien. Met z'n ellebogen op tafel en met z'n handen in z'n haar staarde m'n zoon naar beneden. Af en toe keek hij vol walging mijn kant op. Waarom? Dat was de vraag die hij me keer op keer bleef stellen.

En mijn dochter? M'n dochter leek te wachten op een wonder. Ze zat onbeweeglijk op haar stoel. Haar wangen bevlekt met opgedroogde tranen. Haar handen strak over elkaar. En af en toe keek ze naar boven. Ze keek mij niet aan. Niet één keer. Ze staarde alleen maar in de verte en af en toe keek ze naar boven. Vanwaar ze een wonder leek te verwachten.

Verslagen bleef ik zitten. Gigantische pijn en ontiegelijk veel spijt; dat was alles wat ik nog voelde. Pijn omdat zij pijn leden. En spijt omdat ik mijn vrouw had bedrogen. De liefde van mijn leven. Kon ik de tijd maar terugdraaien...

Moge je levensbron gezegend zijn en verblijd je over de vrouw van je jeugd: een zeer lieflijke hinde, een bevallig steengeitje. Laten haar borsten jou te allen tijde dronken maken, dool voortdurend rond in haar liefde. Waarom zou je, mijn zoon, ronddolen bij een vreemde vrouw, de boezem van die onbekende omarmen? Want de wegen van een man zijn vóór de ogen van de Heere, Hij weegt al zijn sporen.
Spreuken 5:18-21

Een verhaaltje

2 opmerkingen:

  1. Het is heel erg als je man je dingen moet vertellen die als een zwaard door je ziel gaan. Je komt er bijna niet doorheen. Maar het is mogelijk met God.

    Goede blog. Vooral met die tekst op het einde.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik bedoel niet "jou" man maar gewoon in het algemeen: als onze mannen moeten zeggen dat ...

    BeantwoordenVerwijderen